De menselijke ziel van Guadelajara

guadelajara

Als de eerste druppels de straatstenen bereiken, weten we eigenlijk al genoeg. Dit gaat een regenbui van jewelste worden. Tania en ik hebben net heerlijk gegeten en lopen met onze hondjes door de straten van Guadelajara, terug naar huis. Onze slaapplek is zo’n vijf blokken hiervandaan. Tien minuten, hooguit, maar we weten dat we ons moeten haasten. Maar helaas: als we een overkapping bereiken, gaat het direct gigantisch los. We kunnen niet verder en moeten hier echt schuilen.

We zijn niet de enige onder deze overkapping. Zo’n dertig daklozen zoeken hier ook beschutting, net als twee politieagenten. Al gauw maakt ook de wind zijn intrede. Het klettert, het raast. Het zijn horroromstandigheden, het is gevaarlijk. Je moet schreeuwen om je verstaanbaar te maken. De politieagenten zien onze hondjes doodsbang worden. Ze schuiven hun fietsen aan de kant, zodat zij toch iets dichter bij de muren kunnen zijn. Daar zitten ze droog. Hun lijfjes schokken.

Straatarm Guadelajara

Tania en ik zijn hier in Guadelajara om haar verjaardag te vieren, met nog twee vrienden. We zijn geschrokken van deze stad. Overal ligt afval en het aantal daklozen is gigantisch. We hebben een huisje nabij een parkje. Hier zijn altijd vele tientallen daklozen. En dat is, onbewust, toch spannend. Wat voor mensen zijn dit? Kun je hier ’s veilig rondlopen? Je wilt openstaan, natuurlijk. Geen vooroordelen hebben. We begrepen dat de coronacrisis de stad snoeihard geraakt heeft. Mensen zijn hun werk en huis kwijtgeraakt. Deze staan leeg en raken al in verval. Niet alleen afbladderend verf, maar ook kapotte ramen. Kapotte stenen. Een boom heeft het al voor elkaar gekregen zijn takken dwars door de muren te laten groeien.

Volle lading

Terug naar de overkapping. De agenten gaan weg en we blijven alleen over met de daklozen. De wind neemt toe, het begint heftiger en heftiger te stormen. En te onweren; de bliksem is fel, de donder oorverdovend. Uit het betrekkelijke niets krijg ik een volle lading water over me heen. In één keer volledig doorweekt. Ik draag slechts een lange broek en een bloesje met korte mouwen. Het is koud.

Een van de daklozen staat op en spant van plastic een soort scherm achter ons. Hiermee vangt hij de wind en de regen, legt hij uit. Het zorgt ervoor dat er ietsjes meer ruimte ontstaat om droog en veilig te zijn. Twee mannen creëren vervolgens ruimte op hun zitplaats en nodigen Tania uit daar te gaan zitten. Ze zit daarmee droog, met de hondjes. Er ontstaat iets moois. Iedereen probeert iedereen te helpen deze storm veilig door te komen. Een van de daklozen biedt me zelfs een warme trui aan, als hij me ziet trillen van de kou.

Rennen

Na een kwartier worden de omstandigheden niet beter. De hondjes zijn bovendien doodsbang. De mensen onder dit afdak waarschuwen dat dit nog uren kan duren; deze storm is verre van uniek in deze contreien. Ik besluit het erop te wagen: ik stel voor om naar huis te rennen en de auto te pakken. De wegen zijn inmiddels al rivieren en deze onderneming belooft redelijk gevaarlijk te worden, maar we hebben wel die keuze. Met de autosleutel op zak begin ik te rennen. Het enige dat ik zie, is de meter voor me. Als ik wegen over moet steken, ben ik scherp op eventuele autolichten. De ontstane rivieren hebben een sterke stroming en zijn zo’n vijftien centimeter diep. De holen in de wegen kan ik niet zien, de staat van mijn schoenen zijn van later zorg. Na vijf minuten rennen, zie ik ons autootje staan. Als ik zit, heb ik even een momentje nodig. M’n hart gaat tekeer.

Op slot

Ik start de auto en direct beslaan de ramen. Ik wéét dat er een auto achter me staat, maar ik zie ‘m niet. Heel voorzichtig rijd ik naar achter, naar voren, naar achteren, naar voren, totdat ik mezelf losgewrikt heb, op de tast. En dan begin ik te rijden. 20 kilometer per uur. Ik negeer de stoplichten, rijd door waar het kan. Totdat ik bij Tania ben. Ze rent met de hondjes naar de auto. De deuren zitten nog op slot. Shit, wat stom. Ze reageert woedend. Ik open de deuren en ze komt naast me zitten. We vergeten dat voorval en rijden voorzichtig terug naar huis.

En dan zijn we binnen, droog en veilig.

De hele nacht blijft het bijzonder onrustig. Uren en uren stromende regen en onweer, maar binnen is dat fijn. We luisteren naar de geluiden en vallen in diepe slaap.

Koffie

We worden vroeg wakker. De zon schijnt weer volle bak en we lopen met de hondjes. Het is bizar dat er nauwelijks plassen zijn, bizar dat er nauwelijks afgebroken takken zijn. De daklozen liggen precies weer zoals gisteren.

Bij een buurtwinkeltje ontmoeten we de mannen van gisteren weer. Zij zijn de gehele nacht buiten geweest. De man die zijn trui aanbood, houdt de deur open in ruil voor een fooi. We trakteren hen op een bak koffie, als dank voor de goede zorgen. En als dank dat zij Guadelajara alsnog iets mooier hebben doen zijn. Want ondanks dat de stad bezaaid is met afval, bijzonder slecht onderhouden is en het te kampen heeft met een gigantisch aantal daklozen, bewezen deze mannen dat het wel degelijk een menselijke ziel heeft.  

Vind je mijn verhalen leuk en wil je een donatie achterlaten? Dat zou ik oprecht geweldig vinden. Dat kan hieronder. Wil je me maandelijks iets geven? Neem dan een abonnement. Geweldig.|

Totaal: € -

Steven van Beek

Steven van Beek ('81) woont momenteel in Mexico Stad. Alle teksten op deze website zijn van zijn hand.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Translate »