Gratis tandarts

Gratis tandarts

Ik ging in Zuid Amerika regelmatig alleen uit eten. Uiteraard prefereerde ik gezelschap, maar dat is niet altijd voor handen. Wel in Cusco, nabij Machu Picchu. Via Tinder ontmoette ik daar Sonia. Na enkele appjes over en weer besloten we samen naar een restaurant te gaan.

Het zou maar één etentje zijn; de volgende ochtend zou ik in alle vroegte naar dat wereldwonder gaan. Sonia moest nog best een stukje met de bus om naar het centrum te komen, maar ze had er wél zin in, verzekerde ze me. Dat er geen vervolg in zou zitten namen we, kortom, voor lief.

Zij koos het restaurant; eentje die ik zelfs niet eens gevonden zou hebben. De ingang ervan was immers onopvallend, de menukaart vervolgens niet enorm aantrekkelijk. Wel goedkoop. Sonia zwoer bij deze menukaart; dit was haar favoriet restaurant.

Sonia sprak moeizaam Engels, ik moeizaam Spaans. Toch liep het gesprek goed, het leek er in ieder geval op dat we elkaar begrepen. Een blik op haar Facebook, later, bevestigde dat.

Christen en Inca

Ze werkte in Cusco als tandarts. Een baan waar ze trots op was, alhoewel het niet goed verdiende. Dat verraste me. In Europa is dat een goedbetaalde baan, waarom dan niet in Peru? Het was niet zozeer Peru, gaf ze aan. Het was dit gebied. Van de overheid was Sonia verplicht om de authentieke bevolking, de Inca’s, gratis te verzorgen. Ze moest met regelmaat de bergen in, met regelmaat een rondje doen. Erg? Nee, Sonia is Christen én Inca. Deze mengelmoes van geloof, cultuur en achtergrond zorgt ervoor dat ze vrede heeft met wat ze moet doen. Erover nadenken doet ze ook, het is ook niet zo dat ze de situatie volkomen normaal vindt. ,,Het is een eer om dit te mogen doen. Mijn werk is meer dan geld, ik haal er liefde uit, help mijn eigen mensen en het staat gelijk aan mijn geloof in de wereld.”

Santa Marta: gewapende overval

Santa Marta: gewapende overval

De tiener loopt al zeker vijf seconden naast me. ,,Hola amigo, cómo estás?”, vraagt hij plots. Hij is gekleed in het Catalaanse uitshirt van FC Barcelona en kijkt me wat gejaagd aan. Ikzelf ben bepakt en bezakt: ik verlaat met heel mijn hebben en houwen Santa Marta, op weg naar een volgende bestemming. De bus vertrekt vanuit deze buurt, die bij een eerder bezoek al ietwat gevaarlijk en ongemakkelijk aanvoelt.

,,Bien! Gracias, y tú?”, beantwoord ik naar waarheid en zo joviaal mogelijk, me terdege bewust van potentieel gevaar. ,,Bien. Tu móvil, por favor”, zegt de jongen op gedempte toon. Hij laat een glinsterend mes zien, met een lemmet van zo’n twintig centimeter. De timing van deze gewapende overval kan niet slechter: we passeren nét een restaurant; de deuren staan wagenwijd open. Zonder te twijfelen sla ik af naar rechts en loop er naar binnen. Een serveerster vangt me vrolijk op en vraagt of ik een tafeltje wens; ik ben de jongen direct kwijt. Ik geef aan dat ik zojuist ontsnapte aan een gewapende overval. Ze kijkt me ongeïnteresseerd en droogjes aan en haalt haar schouders op en gaat verder met haar werk.

Eerlijk en oprecht: ik had met enorm veel plezier deze jongen achtervolgd en hem uit willen leggen hoe hij dit een volgende keer aan moet pakken. Want dat hier lering door hem uitgetrokken zou moeten worden, dat lijkt me helder.

Ciudad Perdida

Ciudad Perdida

Van 4 tot en met 7 januari liep ik The Lost City Trek, ofwel: Ciudad Perdida. Een vierdaagse tocht naar de verloren stad. 23,3 kilometer heen, 23,3 kilometer terug. Nog een bijnaam? ‘De Groene Hel’, of: ‘Het Groene Vuur’. En die bijnaam is niet geheel onterecht, mijns inziens.

Kort: eerst rijd je met een busje vanuit Santa Marta in anderhalf uur naar verzamelpunt Guachuca. Vanuit die plek ga je nogmaals anderhalf uur met een 4×4 de wildernis van Sierra Nevada de Santa Marta in, naar het laatste stenen dorpje Machete Pelao. Kortom, je start al ver van de echte bewoonde wereld. Eenmaal midden in de jungle hike je op de eerste dag zo’n vijf uur naar het eerste kamp. In ons geval: door de regen en de modder bergop.

Nederlanders

Ons: dat is je groepje waarbij je wordt ingedeeld. Daar moet je dus wat geluk bij hebben, want je bent -dramatisch gezegd- de volle vier dagen ‘tot elkaar veroordeeld’. Mijn groepje bestaat uit twee Amerikanen, twee Fransen, een Duitser, een Zwitser en liefst zeven Nederlanders. Die, logischerwijs, naar elkaar trekken.

,,Ik ben benieuwd. Ik was onlangs in Machu Picchu, dat was écht loodzwaar”, verzucht één van hen. Natuurlijk, de gesprekken gaan over ieders reizen tot dan toe. Logisch. Ik vertel ze mijn reis tot nu toe; onder anderen over de hectiek van Cartagena. ,,Noem je dát al hectisch? Dan ben je nog nooit in Bangladesh geweest zeker”, reageert iemand schamper. Een van hen geeft scheutig tips over Zuid Amerika aan de rest, een ander heeft de hele wereld gezien. Het levert soms interessante anekdotes op.

De trip

We komen langs vergezichten. (,,Die waren in Chili al helemáál spectaculair.”) We passeren watervallen. (,,Die zijn in Indonesië pas geweldig.”) We moeten klimmen. (,,Maar dit is niet zó heftig als Machu Picchu.”) We ontmoeten de Kogi -de indianen die hier wonen, maar wildlife zien we helaas niet. (,,Dan moet je in Bolivia zijn!”)

Ikzelf geniet met volle teugen. Geniet van iedere stap. Kijk verwonderd naar de hoge bomen, naar de wilde natuur. Slaak een vreugdekreet als ik een stroompje zie, of een wilde waterval. Word op slag verliefd op iedere koe, iedere kip, iedere vogel, ja, op iedere salamander die ik zie. Ben onder de indruk van de paadjes die er liggen, zonder dat het makkelijk wordt. Kijk hongerig rond naar alle mensen. Inhaleer, kortom, alles dat me bereikt.

Op safari

,,Vorig jaar was ik in Afrika”, klinkt het iets verveeld achter me. ,,Ja, dan ga je natuurlijk een safari doen. Ik wilde dolgraag een luipaard zien!” Haar gesprekspartner kan zich dat voorstellen. ,,Toen zag ik uiteindelijk een luipaard. Leuk. Maar ja. Dan is de tweede toch al een stuk minder spectaculair.” Ze vervolgt. ,,En toen zag ik een leeuw. Die lag dus heel saai onder een boom te slapen, dus daar doe je het ook niet voor.”

Er wordt instemmend en begripvol gereageerd. Ik weet het niet, snap het niet. Ik vond de Amerikanen leuker. Die vonden in ieder geval álles ‘awesome’.

View this post on Instagram

Filter? Neeje! #lostcity #sunrise #ciudadperdida

A post shared by Steven van Beek (@stevenvbeek) on

Stukje klantvriendelijkheid

Stukje klantvriendelijkheid

Ik maak gebruik van een Colombiaanse simkaart. Twee gig, kost tien euro. Opwaarderen is eenvoudig: er zijn verkooppunten op haast iedere straathoek in Medellín. Er is echter één probleem: mijn Colombiaanse nummer levert bij pogingen tot opwaarderen telkens een foutmelding op. Klaarblijkelijk moet ik me online registreren.

Amerikaans accent

Dan maar een nieuwe, weinig zin in zo’n ingewikkeld Spaanstalig registratieproces. Als ik in een zeer drukke supermarkt eindelijk aan de beurt ben, leg ik er een simkaart bij die daar aangeboden wordt. ,,Heb je al een account?”, vraagt het kassameisje, gevolgd door een niet te volgen uitleg. Mijn Spaans is niet toereikend, beseft het meisje ook al vrij snel. Ze staat ondanks de drukte op en gaat met de simkaart in haar hand op zoek naar hulp. Na enkele minuten komt ze terug met een jonge gast, die me met een heerlijk aangeleerd Amerikaans accent begroet. ,,Hi sir, how are you doing?”

Registratieproces

Samen met hem loop ik naar een balie. ,,Alleen hebben wij jouw provider niet. Wij verkopen alleen ons huismerk”, legt de jongen uit. Prima, als het maar internet heeft. Een tweede man komt erbij en hij vervangt de simkaart van mijn telefoon. Het werkt, nu het registratieproces. Daar moet kennelijk voor gebeld worden, met gegevens uit mijn paspoort. De ‘tolk’ legt uit dat officieel ik moet bellen, maar dat hij het nu voor me doet. Ditmaal zet hij een heel ander accent op en de vrouw achter de balie en de simkaartvervanger proesten het uit. Ook de bellende jongen grijnst zijn tanden bloot. ,,Sorry, ik doe jouw accent na. Het moet wel geloofwaardig blijven hè.”

Na een gesprek van zeker vijf minuten ben ik geregistreerd. Nu moet er nog data op de simkaart gezet worden. Ditmaal belt de vrouw achter de balie, de jongen vraagt hoeveel data ik wil. Ik ben nog maar even in Colombia, dus ik bestel één gigabyte. Vast te veel, maar ach. ,,Voor porno zal het weer te weinig zijn”, grijnst de jongen. ,,Daar heb ik wifi in het hotel voor joh”, werp ik tegen. Reden voor het baliemeisje en de simkaartvervanger om het weer uit te proesten.

Highfives

Ook dat belletje kost vijf minuten, maar nu zou ik officieel data moeten hebben. ,,Maar jij gaat niet weg voordat ik zeker weet dat het werkt”, zegt de jongen streng. De simkaartvervanger gaat aan de slag met de software van mijn telefoon en kijkt bedrukt, want het internet wil inderdaad niet. ,,Start gewoon even opnieuw op”, zegt het kassameisje resoluut. Goed idee, knikt de simkaartvervanger. Het werkt. Het kost drie man personeel en ruim een kwartier, maar het werkt. De tolk, de simkaartvervanger, het baliemeisje en ik geven elkaar een highfive. Als ik bijzonder tevreden weg wil lopen, zie ik het kassameisje naar me zwaaien. Ze steekt vragend haar duim op. Ik beantwoord met een ferme duim terug.

Straathandel in Cartagena

Straathandel in Cartagena

Cartagena is de warmste en meest toeristische stad van Colombia, stelt het Oostenrijkse stel dat ik spreek op een plein in de heerlijke wijk Getsemaní, dat grenst aan de oude binnenstad. En daardoor voor hen de minst aantrekkelijke, zij prefereren het zuiden. Fraaie natuur, dito cultuur en Cartagena is maar duur. Voor mij is het een startpunt en ik zie een bruisende, levendige stad waar het toerisme voet aan wal gezet heeft. De prijzen vallen me alleszins mee; het bier is meestal zo’n 70 cent en een uitstekend bord eten ligt rond de 10 euro. Maar toegegeven: in de oude binnenstad is het een drukte van jewelste. Het aantal straatverkopers is bizar. In aantal beduidend meer dan welke Europese hoofdstad dan ook en dat bij elkaar opgeteld. Hoedjes, kettinkjes, shirtjes en drinken. Ze bieden het je werkelijk continu aan. Ik koop met enige regelmaat wat fruit, of smoothies, voor de verdere toeristenhandel bedank ik vriendelijk. ,,Maar meneer, wij zijn arm, we moeten wel”, legt een straatverkoper me wanhopig uit. Maar ik heb écht geen miniatuur kerstman nodig.

Vrouwelijk schoon

Ook het vrouwelijk schoon valt op. Sexy, schaars gekleed en toch elegant en charmant. Overwegend gezegend met een flinke buste, die middels strakke shirtjes of wonderlijke decolletés niet te missen zijn. Ook zij zijn een soort straatverkopers, dat is klip en klaar. Geschat wordt dat zo’n 80% van alle vrouwen van 15 tot 40 die je in het centrum van Cartagena ziet, prostituee is.

Dat lijkt me een bizar aantal. Ze lachen lief naar je, maar met tact. Ze beheersen het spel van het flirten, happen zelf niet maar laten dat de man doen. Het lijkt haast écht, maar je weet dondersgoed: dit is het spel en dus niet zuiver.

Drie meisjes op Tinder

Grappig is het ook als je een datingapp aanzet, zoals Tinder. In no-time zo’n twintig matches, de een nog knapper dan de ander. Drie meisjes van 19 willen graag een feestje met me vieren. In mijn hostel, twee uurtjes, 100 euro. ,,We vinden het stijlloos om op straat te staan, maar zijn wél dol op feestjes”, vertellen ze me. Dat gesprekje op Tinder is zeker geen zakengesprek, maar een geraffineerde flirt. Ter zake komen ze pas als ikzelf naar de prijzen pols, nieuwsgierig als ik ben.

Cartagena behoort tot de top drie wat betreft sekstoerisme, wereldwijd, maar het gekke is dat het geen seks ademt. Het bruist, het leeft en je ziet het alleen als je het weet. Datzelfde geldt voor de cocaïne. Als man alleen ben ik een potentiele klant, dus dat aanbod gebeurt wel eens letterlijk. Geef ze eens ongelijk.

Aapjes en leguanen

Zo dans je door de stad, die ik wel degelijk in mijn hart gesloten heb. Want nooit voelde ik me onveilig, nooit voelde ik me echt in de verleiding komen en continu was ik verwonderd door de levendigheid. Want even los van de ethiek (je wéét dat daar een tragiek achter schuil gaat, nietwaar?): aan prostitutie kleven ook drugs en derhalve politie en justitie. Dan laat je het wel, óók als drie uiterst charmante en vriendelijke meisjes van 19 een ‘gezellig feestje’ met je willen organiseren,  voor die schamele prijs. Dan ga ik liever aapjes en leguanen spotten in het stadspark.

(Dit verhaal staat ook op Blendle á 29 cent. Als je ‘m leuk vond en het dat geld waard vond, kun je ‘m hier ‘kopen’: https://blendle.com/i/reporters-online/de-straathandel-in-cartagena/bnl-tpomagazine-20171213-128237 :-))

De grens van de Verenigde Staten

De grens van de Verenigde Staten

Als ik en mijn medereizigers murw gebeukt zijn door een vlucht van elf uur lang vanuit Oslo naar Miami, lopen we als zombies de grens controle in. Grenscontrole in de Verenigde Staten: we lijken als groep stilzwijgend besloten te hebben dit maar te ondergaan. Een donkere dame schreeuwt in de verder stille ruimte hoe we moeten lopen. ,,Okay, don’t pass this line! Move forward people, this way!” Er is geen andere route, maar vooruit. ,,Listen! You’re not allowed to be on the phone, or listen to music! Turn of your music immediatly!” Werkelijk niemand heeft een koptelefoon op en niemand slaat acht op haar.

Pornstache

Je wordt door diverse ruimtes geloodst. Eerst moet je wat gegevens in een automaat invoeren, vervolgens kom je in een ruimte waar het helemaal doodstil is. Daar zitten de echt strenge mannen en vrouwen. Zij kunnen je maken of breken, zij hebben bevoegdheden. Op de eerste post zit een man die in alles denkt aan die foute agent uit Orange is the New Black; George Mendez, alias Pornstache. Het uiterlijk sowieso: een vies pornosnorretje, zijn beweginkjes, het is ‘m gewoon. Maar ook de manier waarop hij mensen sommeert naar hem toe te komen, verraden een treurige persoonlijkheid. Hij knipt met zijn middelvinger en duim en als hij de aandacht eenmaal gevangen heeft, wijst hij geïrriteerd de weg.

Ernaast zit een grote, zwarte man. Hij praat bijzonder luid en dwingend. Hij zet zijn grote ogen in om te imponeren, maar geloofwaardig is het niet. Daar weer naast zit een vrouw. Net zo’n schreeuwlellijk als eerder beschreven. Iedere reiziger wordt afgeblaft, iedere reiziger ondergaat het maar. Het is één groot toneelspel. Uiteraard mag ik naar de man die ik niet kan zien, die onopvallend en onzichtbaar in zijn hokje zit. Hij is dik en zit onderuit gezakt in zijn stoel en doet alles overdreven vertraagd. Voor de tweede keer moet ik mijn vingers op een apparaatje leggen, maar het apparaat herkent mijn vingerafdrukken niet direct. Hij kijkt me bijzonder streng aan. Quasi-alarmerend. Gevolgd door een zucht en een overdreven gaap. Het is lachwekkend, ik mag door.

Machtswellustelingen

Het blijft spannend, hoewel er voornamelijk machtswellustelingen rondwandelen die niet al te serieus genomen kunnen worden. Ook een dag later, als ik Miami verlaat om naar Colombia wil gaan, is het raak. Ditmaal bij de douane, waar een enorme, donkere vrouw iedere passagier individueel afblaft en vertelt hoe men alles moet doen. Nou ja, dat is dus gewoon je spullen op de lopende band leggen, zoals op elk vliegveld. Niets anders en iedereen doet dat ook zonder dat zij tegen je gilt. Het is een voorgeprogrammeerd maniertje en het suffe is dat echt iedereen er doorheen prikt.

Niet dat het ten goede komt van de algehele sfeer in die ruimtes. Die sfeer is bedrukt, gespannen. Het is dan ook prachtig als zich na de laatste hindernis de schuifdeuren openen en ongelofelijk vrolijke Caribische muziek klinkt. Dan weet je: je bent de grens over.