Nog 48 dagen

Telkens als ze glimlacht, gaat er een scheut van verlangen door me heen. Het klinkt als een vrolijke grinnik, dat op de één of andere manier telkens om de zoveel zinnen opduikt. Als mijn wekker ’s morgens afgaat wil ik deze, zoals ieder normaal mens, afzetten en mijn telefoon weer wegleggen. Totdat het besef komt: Tania. Het lijkt wel puberliefde. Ik zet mijn internet aan en zie het WhatsApp-symbool al snel verschijnen. Een voiceberichtje. Haar nu al bijna traditionele goedemorgengroet. En weer die grinnik. Ik ben direct wakker. En vrolijk.

Op 25 april vertrek ik. Drie en een halve week, Mexico City. Naar Tania, ergens in het noorden van de stad die qua inwoneraantal vergelijkbaar is met Nederland. Mijn goede vriend Jorrit heeft zijn liefde voor deze stad al vaker uitgesproken en het stond al een tijdje redelijk hoog op mijn lijstje. Ik houd van Latijns Amerika. Ik houd van de steden. De levendigheid. En nu ken ik daar Tania. Een prachtige Latina. Een prachtig mens die ik in toenemende mate in mijn armen wil houden. Hoe zou die grinnik in het echt klinken? In mijn oor, met een vleugje ademhaling?

Een weekje of twee, drie geleden werd onze fantasie steeds groter. Ik wilde naar Mexico, zij naar Nederland. Om elkaar te zien. We praatten erover, veelvuldig. Beloofden elkaar dit jaar nog in de armen te sluiten. Na weer die fantasie besproken te hebben, besloot ik het gewoon te doen. Weg met de toezeggingen, de beloftes, maar actie. Waarom niet? Ik kocht een ticket.

We belden met video. Haar rode wangetjes verraadden opwinding. Die was niet gespeeld. Mijn continu onzekere ik werd gelogenstraft. En sindsdien praten we er haast constant over. En bespraken we zelfs kort het gegeven dat het ook tegen kan vallen. Beide beentjes op de grond. Realistisch. En toch de blijvende opwinding.

,,Ik weet niet of je van taco’s houdt? Mijn broer wil ons meenemen op taco-tour. Ik ben er zelf niet zo’n fan van, hij vindt het heerlijk en kent de beste straatkraampjes. Zou je dat leuk vinden?”, appt ze me. Ik ben ontroerd. Ze heeft haar familie en vrienden over me verteld. Dit is niet langer een één op één, maar breder. Dat bevalt me. Ietwat verlegen geeft ze toe dat ze vaak over me praat. Natuurlijk wil ik meedoen met de taco-tour. ,,En vrienden stellen een barbecue voor, dat is misschien ook wel leuk.” Natuurlijk is dat leuk.

En zo vullen die drie weken zich langzaamaan. Ik probeer realistisch te blijven. Tot het negatieve aan toe: ook alleen ga ik het daar prima naar mijn zin hebben, mocht het onverhoopt mis gaan. Maar het gaat niet mis. Onze dagelijkse telefoontjes, appjes, voiceberichtjes: ze worden steeds leuker. Er overvalt me een gevoel dat ik al jaren niet gehad heb. Of misschien wel nooit gehad heb. Nog 48 dagen.

1. Søren

Het jonge meisje keek vol bewondering naar Søren, die op dat moment gewoon lag te chillen op zijn suffe rots. Ach, hij was het wel gewend. Hij had er schijt aan, allang. Iedere dag diezelfde blonde mensjes met blauwe oogjes. ,,Met je fucking-streepje door je fucking-o”, sneerde hij geïrriteerd, toen het gezinnetje weer doorliep naar de andere dieren. Godsamme, wat was hij het hier beu. 

De leguaan verbleef nu sinds een kleine twee jaar in deze dierentuin in Noorwegen en kon maar niet wennen. Niet aan het land, haar inwoners, de andere dieren, de temperatuur, nergens aan. Ze hadden hem neergeplempt met andere reptielen, maar Spaans praten: ho maar. Søren was de enige hier uit Latijns-Amerika. Er zaten nog wat vetgemeste Amerikaanse leguanen en de alligators waren al helemáál ergerlijk. ,,Nòweej is laaik Elèska, but we’re from Florida”, riepen ze dan, gevolgd met een kulverhaal over hoe fantastisch het daar wel niet was. Met hun grote bek.

De enige die hij een beetje mocht was Poncho, de berggeit. Afkomstig uit Spanje en een einzelgänger. Poncho klaagde altijd steen en been over deze dierentuin en trok zich het liefste terug om ergens te mokken. ,,Dit is toch geen bérg. Dit is een hoop stenen, verdomme”, riep hij. Poncho was een chagrijn eersteklas en dat sloot naadloos aan op de buien van Søren. Die overigens niet chagrijnig was, maar heimwee had. Gefrustreerd was. Terug wilde naar zijn Mexico.

Hij dacht weer aan zijn geboorteland. Aan de gaten, de holen, de schuilplekjes overal. Aan de omgeving, de andere dieren. Aan Alejandro, zijn vriend, die hij ontmoette toen hij nog maar een baby was. Samen trokken ze die dagen regelmatig op. Ontdekten de wereld. En elkaar. Hielpen elkaar, zouden samen tot ongekende hoogtes gereikt zijn, als ze niet betrapt waren. Sørens ouders zagen de twee puberende leguanen in elkaar verstrengeld liggen. Hun enige zoon bleek homoseksueel. Dat betekende: geen nageslacht. Teleurgesteld, waren ze. Woedend. Ze onterfden hem en wilden niks meer met hem te maken hebben. Zetten Søren op het eerste vliegtuig naar Oslo; de schaal van het ei waar Søren uitgekropen was werd diep onder de Mexicaanse woestijn weggemoffeld. En waar Alejandro gebleven was, wist Søren niet. Of hij nog leefde evenmin.

Eigenlijk heette Søren Pepe. Zijn ouders erkenden hem niet meer en veranderden zijn identiteit. Wat zou hij graag gewoon weer Pepe genoemd worden. Dat alles gewoon weer normaal was. Alles weer zoals vanouds was. Zijn grootste wens was om terug te gaan naar Mexico. Terug te gaan naar zijn thuisland. Op zoek te gaan naar Alejandro. Al maanden was hij van plan om te ontsnappen. Die gedachtes werden steeds concreter.

Søren werd gewekt uit zijn overpeinzingen door opgewonden gegil.

Eigenlijk was Søren ongekend populair in deze dierentuin. Dat had hij niet eens echt door, maar zijn beeltenis trok toeristen van heinde en verre. Posters, stoffen knuffels en andere merchandise vloog over de toonbank. Rondom Søren was immers een verhaal gecreëerd. Hij zou zijn gevonden in de Noorse wildernis. Opgegroeid zijn tussen de fjorden, waar hij als ware koning heerste. Een soort Disney-verhaal dat volledig uit de duim gezogen was. Iedere dag verzamelden drommen mensen zich voor zijn verblijf. Soms met afgunst en afkeuring, soms met verwondering en respect.

De enige dieren in de dierentuin die hier weet van hadden, waren de flamingo’s. De roze watervogels hadden in deze dierentuin alle vrijheid en konden op deze wijze gerust een kijkje nemen in de dierentuinwinkel.

,,Søren! Wanneer gaan we een drankje doen”, riep één van hen, Doraly. Dit was een Mexicaanse, afkomstig uit het verre zuiden van het land. ,,Flikker op Doraly”, wees Søren Doraly resoluut af. Doraly kwam op zijn rug zitten. Vileine, glinsterende ogen keken hem aan. ,,Of wil je liever Pepe genoemd worden?”  

–> 2. Poncho

Conchita en Chato

,,Ik denk”, glimlachte Tania dromerig, “dat Conchita en Chato gelijk al wisten waar dit naartoe ging. Ze observeerden ons en zwemmen nu vrolijk rond in de oceaan.” Het was al donker en we zaten buiten op het terras. Haar charmante glimlach was misschien nog wel prachtiger in dit licht. Haar speelse fantasie ontstak een vonkje bij me; ik keek haar recht in de ogen en wilde haar zoenen. Deed dat ook. Het werd beantwoord.

Die middag was ik samen met de Duitser Matthias gaan zwemmen in de zee, nabij het Mexicaanse Tulum. Het was op dat moment warm; een duik in de zee was haast noodzakelijk. Donkere wolken dienden zich echter langzaam, maar nadrukkelijk aan. Hevige regenbuien waren voorspeld, ’s middags zou het zeker losgaan.

Matthias regelde vanaf het strand zaken voor zijn terugreis, later die middag. Ik dreef alleen in het aangename water en speelde met de fijne golven. Zij liep de zee in en moest nog wennen aan de temperatuur. Wreef demonstratief over haar schouders. We keken elkaar aan, ik maakte een grapje en we raakten in gesprek. Tania was op bezoek bij haar moeder in Tulum. De dag erna zou ze teruggaan naar haar woonplaats, vlakbij Mexico City. Ze genoot van dit weer, want thuis was het maar 10 graden. ,,Ohh”, riep ze plots opgewonden en ze wees achter me. Twee enorme vissen maakten gebruik van een golf. ,,Echt, dat was prachtig”, omschreef ze haast ontroerd, want ja: bij zoiets ben je altijd te laat.

De eerste druppel voelde ik toen ik de zee uit was, een half uurtje later. Tania en haar moeder lagen dichtbij ons en bleven onverstoorbaar onder hun gezamenlijke parasol liggen. Wij besloten terug te gaan naar ons hostel, maar niet voordat ik Tania uitnodigde voor een drankje later die avond. Ja. Dat wilde ze wel.

De date werd gemaakt. Het gesprek ging als vanzelf: over haar werk als alternatief therapeut, haar vorige werk als financieel adviseur. Haar moeder, haar vader, haar broer. Dat huidige werk was een eigen praktijk in de opstartfase en ze had er haar eigen gedachtes en theorieën bij. Het leverde een inspirerend en fascinerend  gesprek op.

,,Wat denk je dat die twee vissen nu aan het doen zijn? Ik denk dat ze nu diep in de oceaan aan het praten zijn. Aan het roddelen zijn. Aan het fantaseren zijn. Over ons”, memoreerde Tania aan de twee vissen eerder die middag. Ze glimlachte vertederend. ,,We moeten hen een naam geven. Ik stel Conchita en Chato voor. Zij waren de eersten die ons zagen en wisten dat het een goede ontmoeting was.” Ik keek in haar donkere ogen, die een verlichtende werking op me hadden. Haar fantasie omtrent deze twee vissen haalde ook het beste in mij naar boven en we schreven samen een heel kinderboek. Conchita en Chato, tot dat moment met hun eigen onderlinge besognes en problemen, zwemmen nu met volle tevredenheid rond in de verre dieptes van Mexicaanse Golf. En onze eigen avond duurde tot in de verre dieptes van de Mexicaanse nacht.

Wat vond je van dit verhaal?

Al mijn verhalen zijn gratis te lezen. Maar mocht je als blijk van waardering en van vroljkheid een donatie achter willen laten: ik doe een dansje van blijdschap. Alvast zeer veel dank!!

Totaal: € -