Droomvrouw

Met open mond kijkt de man naar de vrouw die zojuist wat bij me gekocht heeft. “Godskolere…”, zegt hij haast fluisterend tegen me, “dit is niet normaal meer, wát een lekker ding. Dat figuurtje, heerlijk!”

De man heeft duidelijk al flink wat alcohol achter de kiezen en kan z’n ogen niet afhouden van de vrouw. Net als hijzelf is de vrouw ongeveer 40 jaar. Ze draagt strakke spijkerkleding en heeft ‘r haren bordeauxrood geverfd. Ze heeft vooral aandacht voor haar dochtertje, die duidelijk niet genoeg heeft aan het zakje chips dat ze zojuist bij me gekocht heeft.

“Wow, kijk hoe streng en dominant ze kijkt, lekker hoor. Zo mag ze vanavond in bed ook wel kijken”, kwijlt de man door. De vrouw besluit nog wat bij me te halen, waarop de man direct een paar stapjes opzij doet. Ze bestelt een gevulde koek en voelt ongetwijfeld de bewonderende ogen van de man. Hij weet zich duidelijk geen raad met deze situatie en staat er wat ongemakkelijk bij. Ze kijkt heel even opzij, maar rekent toch maar snel af en geeft de gevulde koek aan haar dochtertje. “We keken elkaar even recht aan. Zag je dat? Echt zo’n vonk! Godallemachtig, wat een vrouw. Zelden zo iets gezien, wat een uitstraling ook. Ik zag gewoon ook een fantastisch lief karakter in die ogen. Ik…”, maar de man stopt abrupt als hij ziet dat de vrouw en haar dochtertje richting de treinen lopen. Hij loopt heel even dezelfde richting op, maar besluit twee meter verder toch maar niet te gaan. “Daar gaat ze, m’n droomvrouw”, sombert hij, “waarschijnlijk tot nooit meer.” Hij loopt teleurgesteld de andere kant uit en weg is hij. Ik zie ‘m pas de volgende dag weer. “Yoo, pff, mag ik een koffie, alsjeblieft”, vraagt hij wat dofjes. “Nog aan die prachtige droomvrouw van gisteren gedacht?”, vraag ik. Vertwijfeld kijkt hij me aan. “Welke?”

De laatste minuten

Het is tien minuten voor sluitingstijd, vrijdagnacht. Ik moet eerlijk bekennen: ik ben er wel een beetje klaar mee, vandaag. Ah, daar komt Hans. Hans is een toffe kerel van in de veertig, dus de negen resterende minuten zijn direct leuk ingevuld. Hans blijkt echter goed dronken.

“Heey Zteven. Ah, gvvrdmme, hejje geen sszzenbroodjes meer?”, stamelt Hans teleurgesteld. “Tjanouja. Je heb een leuge vriendin, drouwes! Leug meizje!”, roept Hans uit het niets. “Okay. Dank je, Hans. Ik ga bijna dicht”, hint ik droogjes. Inmiddels staan er vier jongens achter ‘m te wachten, maar Hans is nog niet klaar.

“Ig meen het! Gvvrdmme, ov wil je vechten, moejje kome!”, provoceert hij met een grijns op z’n gezicht. Hij bokst kort in het luchtledige, de jongens kijken er met wantrouwen naar. “Ga naar huis joh, lekker slapen”, adviseer ik ‘m. Hij gaat gelukkig weg, maar draait zich toch nog eens om: “Oh! Drouwes! Nog gevelizideerd hè!”, roept hij van ongeveer vijftien meter door de stationshal. Door de afstand schreeuwt hij, onbedoeld klinkt het agressief. De vier jongens kijken ‘m na. “Wat is dat voor gast? Zat hij je nou te bedreigen, of hoe moet ik dat opvatten? Moet ik security roepen?”, vraagt de ene bezorgd. “Rare kerel man, te schelden over een saucijzenbroodje, ineens vindt hij ‘je vriendin leuk’, begint te boksen en dan zo’n rare ‘felicitatie’, waar sloeg dat nou op?” Ik stel de jongens gerust. “Ik ken ‘m. Hij wilde een saucijzenbroodje, heb ‘m op Facebook waar hij ongetwijfeld mijn vriendin gezien heeft en ik was gisteren jarig”, verklaar ik, “het was allemaal vriendschappelijk.” De jongen kijkt verbaasd. “Zo, het kwam echt héél anders over dan dat…” De jongen draait zich om naar z’n vrienden en grijnst. “Hij was gisteren jarig.” Het is inmiddels één minuut voor sluitingstijd. De jongens starten een meerstemmig verjaardagslied. Na “Hiephiephiep! Hoera!” applaudisseren ze en laten me alleen achter. Toch een prima einde van de avond.

perrongeluk

Pakjesavond

Het is vrijdagavond 5 december. Sinterklaasavond. Ik sta warm in een verlicht winkeltje, mijn uitzicht is echter tamelijk deprimerend. Het perron waar spoor 4 aan ligt is kletsnat en compleet verlaten. Dit perron is door de verbouwing nog niet helemaal overdekt. Het regent, het is koud en zo te zien ook een klein beetje mistig. Mistroostige omstandigheden en het is pas 7 uur. Een man van een jaar of 45 verschijnt ten tonele.

Hij loopt recht op de winkel af, maar de winkel is voor een groot gedeelte gesloten met glas. Ik wacht ‘m op bij de kassa, waar het open is. Hij loopt echter niet naar mij toe, maar doet z’n bestelling met z’n neus bijna tegen het raam aan. Ik versta ‘m dus niet en als hij met zijn neus tegen het raam botst, grijnst hij. “Zorry, zaggiknie”. Straalbezopen, vol-le-dig van de kaart. Hij ziet er ook niet goed uit; Een wat treurige verschijning die uitstekend past in deze setting. “Espresso”, verduidelijkt hij. Verbouwereerd kijkt hij naar het kleine laagje koffie dat hij aangereikt krijgt.

Even vermoed ik een woedeuitbarsting, maar hij pakt het bekertje op en slokt het gloeiend hete goedje direct naar binnen. “Aaah!”, schreeuwt hij gepijnigd en hij gooit het bekertje fel op de grond. Hij draait zich resoluut om en loopt met grote passen weg. Hij ziet een vuilnisbak over het hoofd en knalt hier tegenaan. Hij tolt en maakt een rondje om zijn eigen as. Zijn gepijnigde gezicht naar mij gericht. Hij grijnst weer en loopt terug naar mij.

Pakje Marlboro trouwens, vergeten”. Weer die grijns. Hij betaalt, opent het pakje en pakt er een sigaret uit. Een grote regendruppel maakt de sigaret direct kapot. Onaangedaan pakt hij een nieuwe. Hij grijnst. “Zo, nu écht klaar, nog een fijne Sinterklaasavond”, wenst hij me schijnbaar oprecht toe. In een zigzaggende koers vervolgt hij zijn weg.

perrongeluk

Een klant

Het is 6 uur. De drukte is enorm, de rij voor me wordt niet kleiner. Voor me staat een jongen. Hij zal ongeveer 24 zijn. Z’n ontblote bovenlijf is een slechte keuze geweest. Hij heeft een flinke buik, die deels over z’n broekrand heen hangt. De zon heeft z’n werk vanmiddag goed gedaan, maar dat zal ie later waarschijnlijk pas echt merken. Rode plekken ontsieren het toch al niet al te aantrekkelijke lijf. Wellicht valt de schade mee, z’n lijf is doorweekt van het zweet.

Op z’n linkerborst staat een tatoeage. Vormeloos. Eén vale, blauw/grijze/groene kleur, geen enkel detail. Het doet me denken aan een moedervlek, ter grote van een tennisbal, maar het is toch echt een tatoeage. Op z’n borstbeen groeien enkele haartjes, felblond, maar bij z’n navel en naar onder (*huiver*) wordt de kleur donkerder. Hij is zelf ook blond, maar ik twijfel of het z’n eigen kleur is. Z’n hoofd is namelijk wel (ge)bruin(d) en flink bezweet.

Z’n ogen staan waterig; Ze zijn blauw maar net als z’n tatoeage zijn ze nu wat vormloos en ongedetailleerd. Z’n blik doet niks. Oneindig. De informatie die z’n ogen z’n hersenen zouden moeten geven, komt daar nooit aan. Totaal verwaterd, totaal niets. Z’n lippen zijn nat, maar z’n mond staat constant open. Tanden ontwaar ik nauwelijks, z’n tong zorgt constant voor vernatting van z’n lippen.

Hij leunt met z’n ellebogen op mijn balie. Eventjes houdt hij z’n hoofd vast en hij geniet zichtbaar van de airconditioning, die zijn werk vanmiddag inderdaad uitstekend doet. Een onprettige geur komt me tegemoet, ongetwijfeld een mening van alcohol, zweet en deodorant. “Ah… wat koel hier…“, zucht ie, “doe mij maar een flesje water“. We rekenen af, de jongen pakt z’n flesje water en gaat weg. De volgende klant staat al klaar.

perrongeluk

Waar zijn ze?

Dancetour in de stad betekent traditioneel de drukste dag van het jaar op het station. Een continue rij voor m’n neus en ze willen allen eigenlijk maar één ding: Drinken. En wat te roken. En soms wat te eten.

Door de drukte staan we met z’n tweeën. Op dit moment helpt mijn collega en ik zorg dat alles aangevuld is en blijft. Een jongen staat naast die rij, voor ons raam. Hij kijkt mij aan en zegt wat, maar door het lawaai en door dat raam, komt er niet eens geluid binnen. Ik wijs ‘m op het raam, hij besluit voor de rij te dringen.

Brooje deuner…” Ik wijs naar de dönerzaak. “Maa… kwil een brooje deuner van jou man, geev me gewoon een brooje deuner…” Ik moet ‘m teleurstellen, maar hij houdt vol. “Ahjoh, brooje deuner mè gnovlook, ja toch!” Ik wijs ‘m op de saucijzenbroodjes, in de hoop dat ie dan maar wat koopt. “Suseisje! Dazsz ook goed“. Ik leg het saucijzenbroodje met servetje op de toonbank, hij zoekt geld. Inmiddels gaat m’n collega verder met ‘de rij’. De jongen zoekt in z’n zakken, portemonnee en in z’n kleine tasje.

Vijf minuten later heeft ie geld gevonden. Ik heb het broodje inmiddels allang weer weggehaald, maar hij is z’n bestelling sowieso vergeten. “Hejju ook cola?” Hebben we. “Hoe duur?” en hij geeft me 23 cent. “Da’s nie genoeg hè… maar…“, en hij draait zich om, naar de menigte. “Jongens, kan iemand me zponzeren? Jonges? Ej, jongens?“, draait zich weer naar mij toe, “Waar zijn m’n vrienden nou weer…

Held.

perrongeluk

Onbekende vriend

Jaaaaa jij bendèr… Vijn… Igbenaltdijd blij azzikje zie weedje… Jij bend gwoon mefavoried… Azjijerbend koop ik altijd wad… Janeeduurlijk, iggeboog liever een lekker wijv, ik ben ook nie van zdeen, maar assudan dog een kerel is, danmaarjij ja… hoeizzudmedje… Ja met mij ook man, doe mij een biertje, lekker man…

Man, rond de 45, nooit eerder gezien.

perrongeluk

Verwarde vrouw

Het is 22:27 en over drie minuten mag ik dicht. Een vrouw komt naar me toe en vraagt of ik Tivoli-sigaretten verkoop. Nee, dus. Ze bekijkt het sigarettenrek en ze zucht. “Doet u mij maar een pakje L&M van €5,40… Pff, wel duur zeg, hier is m’n laatste tientje. Van dat geld had ik eigenlijk nog wel drie lekkere broodjes kunnen kopen…”

De vrouw is duidelijk behoorlijk van de kaart. Ze ruikt sterk naar alcohol, maar ook naar urine en naar poep. Ze opent het pakje en haalt er een sigaret uit. “Misschien moet ik maar eens zelfmoord gaan plegen, het zit me allemaal vreselijk tegen de laatste tijd”, zegt ze vertwijfeld en met dubbele tong. “Zelfmoord? Moet je niet doen joh, gewoon lekker genieten van het leven toch?”, reageer ik geveinsd vrolijk, geschrokken van haar opmerking. “Ik bedoel, u bent nu 60, 70? U zult ongetwijfeld een leven gehad hebben met prachtige momenten, toch?”

Dat heeft ze, erkent ze. “Ik heb hele mooie momenten meegemaakt, maar ook hele diepe dalen. Ik heb in de zorg gewerkt en heb leven en dood heel dicht bij elkaar gezien. Toen vond ik het vreselijk. Vréselijk. Nu, achteraf, was dat toch wel een hele mooie tijd. Daarna ben ik een tijd dakloos geweest. Hard leven hoor, dat dakloze leven. Hoe heet je? Steven, zie ik op je naambordje. Je hebt gelijk hoor, zelfmoord ga ik niet doen. Zeker niet voor een trein, echt niet”. De vrouw zoekt een aansteker, die beweging zorgt ervoor dat de penetrante geuren weer opgewekt worden. Waarschijnlijk heeft ze in haar broek gepoept en geplast, zo vers en dichtbij is de geur. “Oh, je hebt een klant”, wijst ze op een meisje dat komt aanlopen. Ze schuifelt weg.

Tamelijk pijnlijk einde van de avond. Toch maar even 112 gebeld. Opdat ze deze ochtend maar fris, nuchter en vol levensvreugd op moge staan. Kom vanmiddag maar een gezond broodje halen, ik trakteer.

perrongeluk

Vieze, oude man

Een vaste bezoeker is een wat oudere man. Hij koopt eigenlijk nooit wat, maar komt regelmatig een praatje maken.

De man is bijzonder moeilijk te verstaan, maar met enige moeite lukt het en bovendien is dat praatje is altijd hetzelfde: Hij vertelt naar welke voetbalwedstrijd ie vandaag gaat / is geweest, hoe z’n terugreis eruit ziet en als er nog wat tijd over is, vraagt ie waarom ik nu nog steeds geen échte baan heb.

En bedankt. En altijd heeft ie spontaan een ‘erg goed idee’: Ik zou een verzorger moeten worden bij een ouderentehuis. Dat spontane, goede idee heeft ie al enkele tientallen keren geopperd. Deze volgorde, deze inhoud, ik heb mijn eigen input al een tijd geleden opgegeven en praat maar gewoon luchtig en inhoudsloos mee.

Zojuist kwam ie vlak voor sluitingstijd weer langs. Ladderzat. Hij koopt zowaar iets, een appelflap. Gulzig schuift ie de appelflap naar binnen en gniffelt. Hij kijkt me recht aan, smakt en zegt niets. Als er ruimte is in z’n mond, likt ie aan z’n lippen en kijkt me met een geile blik aan. “Ik gebruik wel eens poppers, net weer… Weet je wat dat zijn?” Een klant redt de situatie en bestelt wat. Ze gaat weer weg en hij kijkt me doordringend, met een grote, iets te blije grijns aan. Ik kijk op de klok en besluit enkele minuten eerder dicht te gaan. Slaap lekker meneer, tot de volgende keer.

perrongeluk

Happy hour

Een ladderzatte jongeman houdt een leeg pakje Lucky Strike op. Het blijkt een bestelling te zijn, aangezien de jongen in dusdanige toestand is dat praten niet meer lukt. Betalen lukt, hij hikt onophoudelijk.

De alcoholwalm is enorm.

Het blijkt een voorbode te zijn van een grote groep zatte, hele jonge mensen. Een meisje van 17 met een veel te korte rokje gilt quasi hippe teksten (“Yo g, kun je wat kankermunten wisselen? Hoezo niet, G!”) en gaat volledig los. Beledigt voorbijgangers, struikelt over haar eigen benen en schreeuwt, schreeuwt en schreeuwt. Het leuke is dat haar vrienden -toch ook echt lang niet nuchter- haar tot de orde proberen te roepen en zich duidelijk schamen. Weer een krijs. Ze ligt met gespreide benen, in het zicht van velen, op de grond.

Happy hour op vrijdag is weer afgelopen, lijkt het.

perrongeluk

6:30

Het is 6.30, de meeste reizigers wrijven hun ogen nog eens uit en bestellen een kop koffie. Een man van in de 40 komt ten tonele. Hij wankelt, is hartstikke dronken. Geen dronkenschap als gevolg van een gezellige avond, eerder zijn manier van leven. Hij bestelt met dubbele tong twee biertjes en betaalt deze met enige moeite. Het contrast met de overige reizigers is groot…

… Vooral als een ongeveer 17-jarig meisje na hem een koffie bestelt. De dronkaard heeft haar direct in de smiezen en maakt zichtbaar kort de afweging. Hij besluit het erop te wagen.

“Euj… Hoeizzuttt”
“Goed, maar flikker alsjeblieft op”.

Een afwijzing was nog nooit zo voorspelbaar en terecht.