Liefde op Afstand: de date

Voor BN DeStem schreef ik een zesdelige serie over Tania, voor de rubriek ‘Liefde op Afstand’. Deze serie liep van maandag 27 april tot en met zaterdag 2 mei 2020. Dit is deel één:

Verslaggever Steven van Beek was in januari op vakantie in Mexico en ontmoette daar Tania: ze baadden in zee en kwamen toevallig in elkaars vaarwater. Dat was vlakbij het stadje Tulum, in het zuidoosten van het land. Het was liefde op het eerste gezicht. Al snel werden de vliegtickets voor 25 april geboekt, om die liefde verder te onderzoeken. De voorpret was echter maar een kort leven beschoren: het coronavirus gooide roet in het eten. Het virus is inmiddels ook in Mexico gearriveerd.

Ik had nog een paar dagen in Tulum. De zee had ik nog nauwelijks bezocht en het was heet, die ochtend. Ik dreef in het aangename water en speelde met de fijne golven. Zij liep de zee in en moest nog wennen aan de temperatuur. Wreef demonstratief over haar schouders, tot we elkaar aankeken. Ik maakte een grapje en we raakten in gesprek. Tania was op bezoek bij haar moeder in Tulum. De dag erna zou ze teruggaan naar haar woonplaats, vlakbij Mexico Stad. Ze genoot van dit weer, want thuis was het maar 10 graden. ,,Ohh”, riep ze plots opgewonden en ze wees achter me. Twee enorme vissen maakten gebruik van een golf. ,,Dat was prachtig”, omschreef ze haast ontroerd, want ja: bij zoiets ben je altijd te laat.

Dat het zou gaan regenen, was voorspeld. De eerste druppel viel een half uurtje later. Tania en haar moeder bleven onder hun gezamenlijke parasol liggen. Ik besloot terug te gaan naar het hostel, maar niet voordat ik Tania uitnodigde voor een drankje later die avond. Ja. Dat wilde ze wel.

De date werd gemaakt. Het gesprek ging als vanzelf: over haar werk als alternatief therapeut, haar vorige werk als financieel adviseur. Haar moeder, haar vader, haar broer. Dat huidige werk was een eigen praktijk in de opstartfase en ze had er haar eigen gedachtes en theorieën bij. Het leverde een inspirerend en fascinerend gesprek op.

,,Wat denk je dat die twee vissen nu aan het doen zijn? Ik denk dat ze nu diep in de oceaan aan het praten zijn. Aan het roddelen zijn. Aan het fantaseren zijn. Over ons”, memoreerde Tania aan de twee vissen eerder die middag. Ze glimlachte vertederend. ,,We moeten hen een naam geven. Ik stel Conchita en Chato voor. Zij waren de eersten die ons zagen en wisten dat het een goede ontmoeting was.” Ik keek in haar donkere ogen, die een verlichtende werking op me hadden. Haar fantasie rondom deze twee vissen haalde ook het beste in mij naar boven en we schreven samen een heel kinderboek. Conchita en Chato, tot dat moment met hun eigen onderlinge besognes en problemen, zwemmen nu met volle tevredenheid rond in de verre dieptes van Mexicaanse Golf. En onze eigen avond duurde tot in de verre dieptes van de Mexicaanse nacht.

Wat vond je van dit verhaal?

Al mijn verhalen zijn gratis te lezen. Maar mocht je als blijk van waardering en van vroljkheid een donatie achter willen laten: ik doe een dansje van blijdschap. Alvast zeer veel dank!!

Totaal: € -

Economie

Soms is het leuk om te filosoferen. Om, bij voorkeur zonder enige kennis van zaken, te mijmeren over een bepaald onderwerp. Misschien kun je het een beschouwing van gepaste afstand noemen. Misschien kun je bij een gebrek aan kennis juist buiten de lijntjes denken.  

Op school was ik vroeger bijzonder slecht in economie en juist daar wil ik het over hebben. Met geschiedenis leerde ik dat geld ooit bedacht is als ruilmiddel. Een brood stond gelijk aan een bepaald valuta, zoiets. De waarde van dat geld werd bepaald aan de hand van goud. Daar haakte ik al af, want: wie bepaalt die waarde dan?

Geld dient dus als ruilmiddel. Om dingen te kunnen kopen, in dusdanige mate dat je leven ervan afhangt. De waardebepaling aan de hand van goud is allang losgelaten. Bovendien is geld in afnemende mate iets fysieks. Geld is een digitaal getal geworden.

Schoolvakken als wiskunde, natuurkunde en scheikunde zijn feitelijk. Ingegeven door de natuurwetten, of de wetten der logica. Het zijn exacte vakken: zo is het. Daar is weinig discussie bij mogelijk. De vakken ontwikkelen zich wel door nieuwe kennis, maar 1+1 blijft altijd 2.

Met economie kost me dat dus meer moeite. Geld is een menselijk verzinsel. Theo Maassen had daar in deze sketch een hele fijne samenvatting van.

Armoede verwordt een natuurlijk proces, maar is uiteindelijk een gevolg van eeuwenoude afspraken. Het recht van de sterkste steekt hier de kop op. Economie is realistisch monopoly’en, een spel. Maar dan op leven en dood: mensen die weinig bezitten van dat menselijke verzinsel sterven.

Er is al meermaals geopperd om in Nederland een soort basissalaris uit te keren. Een vast bedrag voor iedereen, zodat je gewoon kan leven. Tegenstanders ervan menen dat mensen daar lui van worden. En dat het land zich dan niet door ontwikkelt. Psychologische onderzoeken wijzen uit dat dat te betwijfelen is.

Nu er een periode met corona is en iedereen thuis blijft, pompen de diverse overheden extra geld in de economie. Dat kan niet eindeloos, zeggen de economen. Ooit is het op. Maar wie bepaalt dat? Hoe kan iets digitaals ‘op’ zijn? Geld is toch een menselijk verzinsel, waarom zou je daar niet een paar extra nullen aan toe kunnen voegen?

Onlangs las ik een tweet, waarin iemand riep: ‘Dus nu worden we geleid door virologen?’, omgeven door bozige emoticons en cynische hashtags. Dat vond ik wel een inspirerende gedachte. Normaal worden we geleid door economen. Of nou ja, dat is wel het belangrijkste element waar men beleid op maakt. En dat vinden we kennelijk heel logisch. Ik vroeg me gelijk af of dat wel logisch is?

Waar geld uitgegeven wordt, kan het niet anders zijn dat mensen er ook aan verdienen. Dat er minder beweging van geld plaats vindt is inderdaad een gegeven. Eten wordt nog gewoon gemaakt, doodgaan hoeven we niet. Dus het enige dat je zou kunnen zeggen is dat de tijd stil staat. Dat het land zich niet ontwikkelt. Echter: de bouw gaat gewoon door. Alles dat relevant is gaat gewoon door. Deze coronacrisis toont eigenlijk gewoon aan dat we ons druk maken om een schoolvak dat puur en alleen door mensen verzonnen is. Deze coronacrisis zou ons moeten dwingen tot nadenken over prioriteiten. Want dat lag de afgelopen vele decennia en misschien wel eeuwen vooral bij geld verdienen. Daar zou de wereld eens een ommezwaai in moeten maken. Het zou het leven voor héél de wereld een stuk prettiger maken.  Want waar de rijke landen overtollig eten gewoon weggooien, hebben arme landen tekort. Het eerlijk verdelen leidt zonder enige twijfel tot datgene dat de economie al eeuwen pretendeert dat het doet: een doorontwikkeling van de wereld.

Wat vond je van dit verhaal?

Al mijn verhalen zijn gratis te lezen. Maar mocht je als blijk van waardering en van vroljkheid een donatie achter willen laten: ik doe een dansje van blijdschap. Alvast zeer veel dank!!

Totaal: € -

NAC op FOX

Voor B-Side Rats schreef ik ook een column. Hier een andere variant.

Tegen mijn ouderlijk huis aan staat een elektriciteitshuisje. De deur ervan staat een kleine drie meter van onze garage. De tussenruimte is logischerwijs een muurtje. Dat muurtje was ons doeltje; het huisnummer 24 in de bovenhoek -naar ik meen, op Google Maps is het huisje nu volledig overwoekerd met natuur- was de kruising. Hier voetbalden we heel dikwijls. Fanatiek en vol overgave. Het geluid dat een schot in die kruising teweegbracht was optimaal genot.

Jaap en ik konden vreselijk hard poeieren en zorgden ongetwijfeld voor geluidsoverlast. We speelden meestal samen: een-tweetje, schot op doel. Door de lucht of over de grond. We bootsten situaties na. Zetten ingenieuze aanvallen op. Ons samenspel ging als vanzelf, we wisten heel goed hoe we bewogen. Soms keepte ik en schoot Jaap. Dan pareerde ik die poeiers met mijn blote handen. We hadden altijd enorme lol, maar voetbalden wel serieus. De overbuurman keek vaak geërgerd toe. En kwam ziedend naar buiten als de bal inderdaad in zijn tuin belandde.

Op die dag speelde NAC tegen Dordrecht ’90. De Krommedijk. Ik was er vorige week weer. Dat stadion is het allerbeste wat Nederland te bieden heeft. Kleinschalig en krakkemikkig, een jaren ’80-vibe. We zaten op houten bankjes. De toiletten bevonden zich in het spelershome. Het voelde aan als kantine. De spelersvrouwen kochten er in de rust zakjes chips. Ondenkbaar in andere stadions.

Doet er niet toe.

We hebben het nu over 1995. 12 maart, zondagmiddag. Eens in de zoveel minuten staakten Jaap en ik ons spel en raasden naar binnen. Naar teletekst, om de tussenstand van Dordrecht ’90 – NAC te raadplegen. Het werd 2-5. Viermaal de Australiër en held-van-velen Graham Arnold. We juichten gepassioneerd. Scandeerden zijn naam op straat. Gra-Ham-Arnold, lalalalalalala. Wát een man. Viermaal scoren. Het is geweldig.

Ik denk niet dat ik ooit de beelden ervan gezien heb. Alleen de uitslag en statistieken zijn mij bekend. Dat Arnold die middag op dreef was, stond voor mij wel vast. Viermaal scoren. Het is geweldig.

Momenteel zijn NAC-supporters boos dat betaalzender FOX Sports de wedstrijden van NAC niet live uitzendt. Of nou ja, niet gegarandeerd. Dordrecht – NAC bijvoorbeeld niet. NAC – Helmond Sport, aanstaande vrijdag, wél. Maar het gaat om de uitwedstrijden. Die zien we nu niet. De thuisblijvers voelen zich bestolen. Dáár betalen we toch niet voor?

Ikzelf heb nooit een abonnement op FOX gehad. Bij mij draait het ook alleen om NAC en als ik wil kijken, kijk ik in een café. Maar liever nog: niet. NAC kijk je niet om het voetbal. Daar is het echt te slecht voor. En dus te frustrerend. Het irriteert. De uitslag horen is prima. En als ze gewonnen hebben, wil ik de samenvatting ook nog wel zien. Anders: laat maar.

Lief FOX. Het is goed zo. Zend het niet uit. Laat het radiostation van NAC, 076Radio, maar door de kroegen schallen. Dan hebben we beeld in onze fantasie. Iedere aanval met stemverheffing. ,,Ilic. Ilic draait weg en kan zo één, twee, drie meter naar het doel. Ilic. Hij heeft mogelijkheden. Stokkers vraagt de bal, maar staat in de dekking. Ilic lijkt de buitenkant te prefereren. Een kort passje op El Allouchi. Wat gaat hij doen…” Zie je? Hier gebeurt niets. En toch is het spannend. In je hoofd gebeurt er wat. De fantasie slaat op hol, fantasie leidt tot hoop. Fantasie leidt tot een veel beter NAC dan de werkelijkheid. Het café luistert ademloos. Het biertje in de hand. Je kijkt elkaar aan. Je vrienden, tot onbekenden. Je hart bonkt. Je luistert. Je ziet NAC voor 80.000 supporters in Dordrecht het heft in handen nemen en hen overrompelen. De wedstrijd domineren en de één na de andere Champions League-achtige aanval opzetten. De onthouding van de beelden zorgt voor de meerwaarde. Beelden maken alles kapot. Beelden zorgen ervoor dat NAC niet meer is dan een clubje in de krochten van het betaalde voetbal.

Ik ben voorstander. In mijn fantasie zie ik Jaap en mijzelf nog voetballen. Dat we keihard konden poeieren is misschien een herinnering die niet helemaal gestoeld is op waarheid. Jaap kon dat misschien. Ik struikelde vooral over de bal. Trucjes mislukten finaal, de bal belandde dikwijls vol op mijn neus en mijn keeperwerk was ook niet spectaculair. Maar daar zijn geen beelden van, hooguit op ons netvlies. En daar kunnen we nog heerlijk op terugkijken, met een iets andere beleving.

Irritatie appel

Even rommelde mijn buurvrouw in de stilteruimte in haar tas, totdat ze vond wat ze zocht: een appel. Ze poetste ‘m op tot het glansde en ik zag de lucht buiten direct betrekken. Zwart worden. Zij leek dat niet te zien, of het leek haar niet te deren. Haar mond ging wagenwijd open. Ze bracht de vrucht op de juiste hoogte om er een hap van te nemen en drukte haar scherpe tanden in het velletje, dat zich al gauw gewonnen gaf. Haar tanden spietsten zich eenvoudig door de vrucht. Ze zette kracht, opdat haar tanden elkaar weer raakten en ze een grote hap van de appel richting haar kiezen en keel kon dirigeren.

Dan begint het kauwen, waarop na een aantal kaakbewegingen alleen het vruchtwater over is. Dat slikt ze met moeite door, waarna bovenstaande handeling zich herhaalt totdat alleen een klokhuis resteert. Erbij nadenken doet ze niet; ze werkt gewoon door met haar computer, de appel verorberend.

Het geluid dat deze handelingen teweeg brengt, gaat door merg en been. Ik hoorde het buiten donderen. Bliksemen. Losgaan, maar het geluid van de appeleetster overtreft het. Iedere hap die ze neemt is een explosie, een vermaling van ogenschijnlijk moeizaam doordringbare materie. Dit geluid krast zich scherp in mijn ziel. Logischerwijs zou iedere hap minder geluid moeten opleveren, maar mijn brein registreert iedere hap en houdt deze steeds iets langer vast, waardoor de geluidsopeenstapeling alleen maar harder wordt. Dit tart al mijn irritatiegrenzen.

Het eten van appelen op de openbare weg, maar zéker in stilteruimtes zou beboet moeten worden. Ik overweeg op zo’n moment zelfs lijfstraffen. Ik weet dat dat een lugubere fantasie is die vooral leeft in mijn primaire, thans geïrriteerde brein. Daarom laat ik die gedachte binnenin gewoon gaan, zonder daar in de openbaarheid een grote kwestie van te maken.

Ik heb liever dat iemand muziek opzet van Guus Meeuwis, dan dit geluid. Ik heb liever dat iemand naast me een frietje oorlog eet, of een boterham met salami. Eet voor mijn part krakerige chips bij een film in de bioscoop. Sterker, ik prefereer supporters van de Oranje Leeuwinnen die in een polonaise lopen, met onder hen een man met twee ballonnen onder zijn shirt omdat dat supergrappig is. Echt, alles. Alles is beter dan het geluid van een krakende appel. Het is het meest walgelijke, wanstaltige geluid dat bestaat.

Ze deponeert de appel in haar lege koffiekartonnetje, wat op zichzelf al een misselijkmakende gedachte is. De wolken breken gelijk weer open, tot de strakblauwe hemel van weleer weer terug is. Het geluid van de smakkende appeleetster echoot nog even na in mijn brein, totdat het helemaal verstomt.

Tof artikel?

Ik zou graag vaker columns of teksten willen maken. Als je deze tekst waardeert en dat wil laten blijken middels een bijdrage: dat kan en wordt natuurlijk super-super-super-gewaardeerd!

Totaal: € -



Met Billie Eilish en mijn vader in de auto

,,Dit klinkt toch nergens naar? Wat een troep”, foeterde mijn vader. Ik gniffelde. De autoradio stond dermate zacht dat echt goed luisteren niet eens lukte. Deze reactie had ik echter wel verwacht.

Het had iets spannends. Mijn vader (71) en ik (38) zijn immers nog altijd écht vader en zoon. Als we in één auto gaan, rijdt hij. Als we uit eten gaan, betaalt hij. Als we muziek luisteren, bepaalt hij. Ik heb het al vaak geprobeerd, hem nieuwe muziek aandragen. Hem uit de comfort zone van Pink Floyd en andere generatiegenoten te halen. Het lukte soms. Portishead vindt hij mooi. Gotan Project bij vlagen. Goldfrapp soms.

Maar ditmaal reed ik en dat is een zeldzame rolverdeling. Mijn vader sprak het niet uit, maar was gespannen. Ik rijd harder en iets offensiever. Hij wil maximaal 100 rijden. Maar vooral: hij wil niet afhankelijk zijn.

Vlak voordat we in de auto stapten, zette ik Spotify op. Ik besloot op te zetten wat ik zélf wilde. Dat klinkt logisch, maar het was een drempeltje.

Het werd Billie Eilish en da’s zeer actueel. Ik hoorde hit ‘Bad Guy’ voorbij komen op Studio Brussel en was verkocht. Wat bleek: het hele album van de Amerikaanse tiener bleek ontzettend sterk.

En ja, er was op zich nog wel een minieme kans dat mijn vader het zou appreciëren. Zo sociaal ben ik nog wel. Geen obscuur genre, maar iets nieuws met de ijdele hoop hem iets aan te bieden dat hij leuk zou kunnen vinden. En voordat we Hilversum verlaten hadden, na hooguit twee nummers, was zijn oordeel helder: troep.

Het is een eigenschap die ikzelf niet wil overnemen. Graag wil vermijden. Natuurlijk: er is geen betere muziek dan de muziek uit je jeugd. De nostalgische waarde ervan is nooit te overtreffen. Je hoort alles voor het eerst en alles maakt indruk. Maar ik wil open blijven staan voor nieuwe dingen. Nieuwe klanken. Dat is niet eenvoudig, want onbewust sluiten die zintuigen zich. Maar ik wil niet vastroesten in een soort vroeger-was-alles-beter. Probeer bewust te blijven zoeken naar nieuwe muziek, want ook nu worden mooie dingen gemaakt, dat kan niet anders.

Het album van Billie Eilish was bij Oosterhout afgelopen, we waren bijna thuis. ,,Zal ik de radio anders aanzetten? Of wil je iets anders horen?”, stelde ik voor. Nee, mijn vader prefereerde stilte. ,,Thuis pakken we nog een wijntje”, beloofde hij mijn moeder, die achterin zat. Ongetwijfeld met Pink Floyd door de speakers.

Tof artikel?

Ik zou graag vaker columns of teksten willen maken. Als je deze tekst waardeert en dat wil laten blijken middels een bijdrage: dat kan en wordt natuurlijk super-super-super-gewaardeerd!

Totaal: € -

Discriminatie

Het is een heet item, de laatste maanden. Het zet je ook aan het denken. Discrimineer ik zelf onbewust ook? Moeilijk te zeggen, bewust in ieder geval zeker niet. Ben ik zelf wel eens doelwit van discriminatie? Dat zou je misschien best kunnen stellen. Het klinkt wellicht wat vergezocht, maar ook als verkoper in een winkel krijg je te maken met discriminatie. Gemiddeld per dag toch zeker een aantal keer. De (potentiële) klant ziet de verkoper niet als gelijkwaardig, maar meer als een apparaat. Als deze klant iets bestelt, is het aanreiken van dat product de enige reactie die je als verkoper dient te geven. Hij kijkt je niet aan, maar is vooral bezig met andere dingen. Dat kan van alles zijn: De klant neemt nog een flinke hap van zijn broodje en bestelt vervolgens haast onverstaanbaar met een volle mond. Of de klant heeft oordopjes in met de muziek keihard aan. De klant praat met iemand anders tijdens het bestellen (en dat kunnen zowaar diepzinnige privé-gesprekken zijn). De klant bestelt en speelt tegelijkertijd met zijn mobiele telefoon en heeft de aanwezigheid van de verkoper niet eens door. Kortom: De klant ziet de verkoper niet als vol, maar als een minder mens. Als een apparaat. Als een niet aanwezige ziel. Lang niet iedere klant uiteraard, maar zoals gezegd: Wel meerdere per dag. Concreet voorbeeldje, ietwat extreem.

Een vrouw van ongeveer 60 staat op enkele meters van me vandaan en kijkt onderzoekend naar de winkel. Ze zeult een koffer op wieltjes achter zich aan. Ze kijkt naar het drinken, het snoepwaar, de broodjes en weer naar het drinken. Het perron is verder leeg, ze heeft alle tijd om een keuze te maken. Ze komt iets dichterbij en kijkt nog wat scherper en gerichter. Nog steeds van een afstandje, maar onbewust komt ze wel steeds iets dichter bij.

Uiteraard begroet ik ‘r. Enigszins enthousiast zelfs. Het perron is verder leeg en ik ben wel toe aan interactie met iemand. “Hallooo, een goedemiddag…” De vrouw kijkt niet op, maar ze heeft me duidelijk wel gehoord. Ze reageert immers door haar hoofd te schudden. Demonstratief trekt ze een vies gezicht, schudt haar hoofd nog iets feller en loopt zonder wat te zeggen weg.

Veel mensen interpreteren een begroeting door een verkoper blijkbaar als een verplichting om wat te kopen. “Een goedemiddag” staat haast gelijk aan “Zegt u het maar, u dient nu per se iets te kopen”. Het gebeurt regelmatig dat mensen gewoon niks terug zeggen of niet terug groeten, als ze besluiten geen aankoop te doen. Ze horen de groet wel, maar omdat er geen zaken gedaan zullen worden, wordt deze groet niet beantwoord. Vreemde eigenschap, als je er over nadenkt.

Niet veel later komt ze terug. Het perron is nog steeds nagenoeg leeg. Ze ijsbeert voor m’n winkel, de koffer sleept ze constant met zich mee. Af en toe werpt ze nogmaals een blik op de producten die ik verkoop. En uiteindelijk loopt ze dan toch maar naar me toe. Maar niet om iets te bestellen. Ze zet haar koffer een halve meter voor de winkel neer en besluit tegen de ramen van de winkel te leunen, de rug naar me toe. Ze staat letterlijk naast de balie. Als ik mijn arm uit zou steken, zou ik haar schouder vast kunnen pakken. De afstand tussen ons bedraagt nog geen dertig centimeter, het enige dat ons scheidt is het glas. Als ik iets anders ga staan, scheidt niets ons.

Ook dit gebeurt vaker en ook hier zou ik haast wekelijks een verhaal over kunnen schrijven. Vooral in de winter, als de verwarming binnen aanstaat, geeft de plek die de vrouw nu inneemt heel wat warmte. Soms vragen mensen of ze even op dit warme plekje mogen staan, meestal niet. Dat laatste blijft bevreemdend. Dertig centimeter van elkaar verwijderd, maar geen enkele communicatie, interactie en zelfs niet de erkenning dat er een mens op dertig centimeter van je vandaan staat. Intrigerend is dat. Ik observeer dit soort acties altijd met de grootst mogelijke verbazing. Het is gewoon tamelijk bizar. Ga maar na: Een nagenoeg leeg perron en twee mensen die op dertig centimeter van elkaar staan. Als het perron drukker gevuld zou zijn, zou ik ‘r vriendelijk verzoeken ergens anders te staan. Immers, ze blokkeert de winkel en daarmee m’n handel. In dit geval zou dat geen argument zijn. Ik laat ‘r maar even en heb de stiekeme hoop dat ze me nog even begroet, als erkenning van mijn aanwezigheid, ofzo.

Het perron begint weer vol te lopen. Een man loopt naar me toe, begroet me uiterst vriendelijk en bestelt een colaatje. De man stapt zonder pardon de comfort zone van de vrouw binnen. Die voelt zich hierdoor al gauw opgejaagd, pakt haar koffer op wieltjes en loopt naar een plekje waar niemand staat, naar een plekje waar ze wederom helemaal alleen kan staan en alle privacy heeft.

Het klinkt vergezocht, maar feitelijk is ook dit een vorm van discriminatie. Ik word wel gezien, maar niet als volwaardig mens. Alsof ik voor een automatische schuifdeur sta en de sensor herkent me niet. Alleen bij overdreven bewegingen zal de deur zich met tegenzin openen. Overigens vat ik het niet op als discriminatie, het is al zo’n beladen woord. Het beledigt me ook geenszins. Ik ben –zoals in bovenstaand voorbeeld- vooral verbijsterd dat de mevrouw uit het voorbeeld en al die andere mensen me niet lijkt te erkennen of zelfs herkennen als volwaardig mens. Sterker, als mens. Ze zien me –als ze me al zien- hooguit als een apparaat, die speciaal voor hen klaarstaat als ze tóch besluiten iets bij me te kopen. En intussen schrijf ik Perrongelukjes over hen.

perrongeluk

De drie

Het is zondagavond en een jonge jongen schuifelt nonchalant naar me toe. Hij draagt een enorme legertas en ook z’n overige kleding doet vermoeden dat ie bij het leger zit. Hij is klein van stuk en heeft een wat kinderlijk gezicht. Dusdanig, dat ik ‘m eigenlijk rond de vijftien of zestien in schat.

“Yo, mag ik twee Heiniez”, vraagt ie. Een stoer toontje, maar ik ben nog niet overtuigd en vraag ‘m toch maar z’n legitimatiebewijs. Zonder te klagen en zonder irritatie overhandigt ie z’n identiteitsbewijs. Nog geen twintig, maar de twee biertjes mag ie kopen. “Maak er trouwenz maar drie van”, glimlacht ie.

Sindsdien koopt ie regelmatig op zondag twee of drie Heineken-biertjes bij me. Ondanks z’n gemaakt stoere manier van praten komt ie over als een ontzettend sympathieke gast. Altijd beleefd en altijd vriendelijk. Zonder dat er aanwijsbare of noemenswaardige interacties tussen ons plaatsvinden, begin ik wel een band met de jongen te voelen.

We zien elkaar lang niet elke zondag. Hij komt niet elke zondag langs om bier te halen, ik werk ook lang niet elke zondag. Vlak na de zomer komt ie weer bij me langs om drie Heineken te halen. Ik herken ‘m haast niet. Hij heeft een oude, doorleefde kop gekregen. Z’n huid is verouderd, hij heeft flink wat -onverzorgde- baardgroei en z’n grimas is een stuk minder jeugdig dan voorheen. Ik schat ‘m nu ruim in de dertig. Z’n bestellingen zijn nog altijd precies hetzelfde als voorheen: vriendelijk, correct, beleefd en toch dat stoere toontje. Z’n enorme legertas, z’n overige kleding en z’n manier van bestellen staan ‘m nu ietwat beter, maar toch vind ik het een ietwat zorgwekkende ontwikkeling. De redenen hiervoor laten zich raden. Of toch niet? Je zou haast met ‘m willen praten.

Ze lijkt op een meisje-meisje. Met een diadeem in het haar, een rond brilletje en een uiterst vriendelijke glimlach op haar gezicht heeft ze die uitstraling ook. Regelmatig koopt ze een saucijzenbroodje bij me en eet deze op in de wachtruimte tegenover me. Soms loopt ze m’n winkeltje voorbij en haalt een frietje bij de buren. In dat geval zwaait ze altijd vriendelijk  naar me als ze me passeert. Zo zie ik haar meerdere keren per week een saucijzenbroodje of een frietje eten.

Een jaar later is het lieve schoolmeisje qua gezichtje nog altijd intact, maar ik heb het meisje wel zien groeien. De vele saucijzenbroodjes en frietjes hebben hun sporen nagelaten in haar billen en haar buik. Het zorgt voor een onevenwichtig lichaam; Een klein hoofdje, smalle schouders en een flinke omvang rond haar billen en buik. De redenen hiervoor laten zich raden. Of toch niet? Je zou haast met ‘r willen praten.

Regelmatig koopt ze sigaretten bij me. Altijd is ze zwaar opgemaakt: Licht roze lippen, een dikke laag plamuur over haar gezicht waardoor er geen oneffenheidje waarneembaar is en flink wat mascara rond haar ogen. Ze draagt baseballkleding: Een rood petje en een rode sportjas van dezelfde Amerikaanse club. Ze heeft een barbiegezichtje en hoewel het een coherent geheel is, vind ik het verre van aantrekkelijk. Glimlachen doet ze zelden en alles bij elkaar zorgt het voor een wat dommig en goedkoop voorkomen. Maar goed, dat is natuurlijk smaak en ze bestelt altijd op een correcte wijze haar sigaretten. Ze draagt altijd deze combinatie en is vaak in gezelschap van haar vriend. Een stoere jongen die zich altijd wat afzijdig houdt.

Plotseling komt ze in ‘normale’, wat onopvallender, alledaagse kleding en is haar make-up flink gereduceerd. Haar gezelschap zie ik vanaf dan nooit meer. Maar de ontwikkeling gaat door. Enkele weken later heeft ze haar make-up behoorlijk smaakvol aangebracht en kleedt ze zichzelf behoorlijk chic: Een fraaie, klassieke, lange jas en een charmant hoedje zorgen voor een ware metamorfose. Ze draagt een modieus tasje om haar schouder en zelfs haar portemonnee is ingewisseld voor een chiquer model. Ze heeft ook een nieuwe vriend, een charmante jongen die regelmatig uitermate complimenteus is naar haar, terwijl ze haar sigaretten koopt. Ze komt niet meer dommig en goedkoop over, maar intelligent en high class. De redenen hiervoor laten zich raden. Of toch niet? Je zou haast met ‘r willen praten.

De ontwikkeling van deze drie –en van nog veel meer mensen- is een interessante om van een gepaste afstand te volgen. Welke kant gaat het op? Is dit afgelopen jaar een jaar van toevallige en verregaande ontwikkelingen in hun leven en komen ze het volgend jaar in een rustiger vaarwater? Blijft de jongen de komende tien jaar ogen als een dertiger of veroudert ie in ditzelfde tempo? Zal het schoolmeisje haar ogenschijnlijke drang naar vet weten af te remmen of blijft ze op dit tempo doorgroeien? En zal het tweede meisje haar eigen stijl gaan vinden of verandert die stijl weldra nog drastischer als ook deze relatie eindigt?

Je zou haast met ze willen praten, maar ik doe het niet. Ik ga me er niet mee bemoeien en volg de ontwikkelingen op gepaste afstand. Ze zullen immers niet op de bemoeienis van een stationsmedewerker zitten te wachten. En stiekem vermaak ik me wel met het volgen van hun ontwikkelingen.