Vibraties

Een vrouw komt aangelopen en zet haar handtas op de balie. “Goedenavond! Even kijken wat ik wil kopen hoor…”

Ze pakt haar portemonnee uit de handtas en laat zich vervolgens inspireren door het aangeboden goed in de winkel. Uiteraard volg ik haar blik met interesse en als ik vooroverbuig en daardoor op die balie leun, voel ik een soort rare trilling. Vreemd. Ik kijk onder de balie, op zoek naar de oorzaak van deze gekke trilling. Ineens meen ik de trilling ook te horen. Een monotoon, vervelend, zoemend geluidje. De vrouw, ruim in de zestig, neemt intussen haar tijd.

“De trein gaat pas over twintig minuten. Ik heb zin in íets, maar geen idee wat. Moeilijk”, mompelt ze, terwijl ze met haar duim en wijsvinger haar onderlip masseert. Zelf probeer ik inmiddels achter de oorzaak van die trilling te komen. Ik onderzoek nogmaals de balie, voel zelfs aan de grond om te kijken of het wellicht overal zo is. “Stom ook natuurlijk. Ik kom net van een hightea vandaan. Een vriendin van me heeft me even afgezet op het station. We hadden beter kunnen kijken wanneer de trein zou vertrekken. Bovendien hadden we nog genoeg over, ik had voldoende lekkers mee de trein in kunnen nemen. Maar ja, daar denk je pas achteraf aan”, mompelt de vrouw verder in zichzelf. En ineens heeft ze het: “Ah! Ik neem lekker zakje winegums en ik neem daar zo’n vruchtendrankje bij. C’est ça! Wat krijgt u van me?” De vrouw pakt haar handtas van de balie af en brengt deze met de artikelen en haar portemonnee richting de kassa. En gelijk is de trilling weg. De oorzaak zat dus in haar tas. Het kwartje valt ook direct bij me en bij haar ook. Onbeschaamd en kurkdroog: “Och hemel, ik denk dat ik beter de batterijen eruit kan halen. Dat ding springt de hele tijd aan.”

Carnavalszondag

Ze heeft een uiterst charmant zwart jurkje met rode stippen aan tot haar knieën. Daaronder draagt ze een zwarte panty. Aan haar voeten prijken schattige rode, glanzende schoentjes. De eveneens rode veters zijn sierlijk gestrikt. Om haar heen liggen lege bierglazen en andere rotzooi, zij staat op schone stenen. Op haar wangen heeft ze rode schmink aangebracht en daaroverheen heeft ze zwarte sproetjes getekend. Haar lippen zijn knalrood, wat haar zichtbaar vermoeide gezicht toch een frisse uitstraling geeft. Ze heeft haar haren in twee strakgevlochten vlechtjes, met aan beide kanten een rood elastiekje. Ze staart naar het podium, maar wat daar gebeurt dringt duidelijk niet tot haar door. Ze dagdroomt, de ogen zijn waterig, haar pupillen staan stil. Het is niet haar eerste carnavalsdag dit jaar, zoveel is duidelijk. Ze heeft een biertje schuin vast, de schuimkraag is allang verdwenen en als ze getoucheerd wordt door een voorbijganger morst ze een beetje, waarna ze het biertje snel weer wat rechter houdt. Heel even schrikt ze op als een geweldig gelukte Prinses Fiona uit Shrek een bierblikje wegschopt. Een korte glimlach, maar al snel keert ze terug in haar modus. Haar vrienden praten met elkaar, maar ook aan hen is al enige vermoeidheid af te lezen. Als René Schuurmans wordt aangekondigd op het podium voor het Bredase stadhuis, blijft ze voor zich uit staren. De geluidsman introduceert Schuurmans op grootse wijze door middel van samples van z’n bekendste liedjes, maar ook dat beweegt haar niet. Schuurmans start met één van z’n grootste hits en als hij bij het refrein aankomt, gaat het publiek los en gaan de handjes massaal de lucht in. Het meisje ontwaakt. Ze herkent het liedje en houdt haar biertje direct enthousiast in de lucht. “Ooh laat de zon in je haaaart”,zingt ze hees met Schuurmans mee en direct pakt ze de schouders van haar vriendin beet. Uit het niets start ze met haar vriendengroep een vrij succesvolle polonaise, die haar ongetwijfeld helemaal naar de andere kant van de Grote Markt zal brengen.

perrongeluk

Bekende Nederlander

Op het eerste gezicht is de man een typische 55-jarige kerel met een 9-tot-5-baan, met gewone kleding en een gewoon snorretje. Hoewel, door dat snorretje herken je ‘m juist. Hij komt steeds vaker bij Pauw, vorig jaar vooral bij Pauw en Witteman. Al geruime tijd –al voor die bekendheid- haalt ie met regelmaat een bakje koffie bij me en ik heb al een tijdje de neiging ‘m eens aan te spreken. Maar hoe doe je dat? Hoe spreek je zo iemand aan, zonder dat het gênant wordt. Zonder dat de oppervlakkige, maar toch ook laagdrempelige relatie verstoord wordt?

Hij loopt naar me toe. “Heey, goedemiddag, mag ik een bakje koffie van je?”, vraagt ie me vrolijk. “Uiteraard mag u dat. Zeg, trouwens, mogen we u nu onderhand al een ‘Bekende Nederlander’ noemen?”, probeer ik zo nonchalant mogelijk.

Nou, bekend…, semi-bekend hè! Ik word inderdaad vaak herkend en ook vaak aangesproken, maar niemand weet eigenlijk wie ik ben, haha!”, lacht de man ronduit. Het besef dat dit gesprek nog vrij naturel en best amusant verloopt, stemt me wel tevreden.

Maar u bent nu wel vrij vaak op tv. U bent wel de bekendste Nederlander die ik heb als klant, kan ik u vertellen”, grijns ik.
Tja, maar ik kan nu hele flauwe vragen gaan stellen hè. Weet jij wat voor werk ik doe? Weet je hoe ik heet?”, vraagt ie me met een plagerige blik.
Ik begin te stotteren. “Nou ja, ik kén u van Pauw en Witteman. U doet iets met militaire geschiedenis. Uw naam…, nee, ik kom er niet op, sorry”. De man redt mijn penibele situatie en reageert bescheiden: “Haha, dacht ik al. Soms ontken ik, dan twijfelen mensen ook direct. Ik vermaak me wel met mijn semi-bekendheid. Laat het maar zo blijven, ideaal!

perrongeluk

Markante persoonlijkheid

Pfft, mafketel. Ken je die kerel?”, vraagt de vrouw met hoorbare ergernis in haar stem. Ik geef wat afwezig antwoord. “Nee, niet echt. Ja, ik heb ‘m tot nu toe twee keer gezien en gesproken, maar kénnen… Nee, ik ken ‘m verder niet”, zeg ik terwijl toekijk hoe de man in razend tempo richting de uitgang loopt, waar ook de digitale borden met vertrektijden hangen. De vrouw kijkt ook naar ‘m, haalt haar schouders meewarig op en rolt met haar ogen. Vervolgens loopt ze in een behoorlijk tempo richting de sporen.

Terug naar de man. Zoals ik al tegen de vrouw zei, heb ik hem twee keer gesproken en beide keren verwerkte ik ons gesprek in een Perrongelukje. Zoals in ‘Monoloog II’. Dat blijft een bijzondere monoloog, die ik vrij goed en letterlijk geciteerd heb, al zeg ik het zelf. En waar dat eerste gesprek warrig maar onschuldig was, bleek dat de man in ons tweede gesprek wel degelijk wat problemen had. Met Albanezen. Die ‘m het leven zuur maakten.

Een markante persoonlijkheid, waar je gerust een paar biertjes mee zou kunnen drinken in een smoezelige kroeg op een sombere dinsdagavond, terwijl de koude regen op de straten klettert en vluchtige schaduwen zich door de duisternis een weg naar huis banen, op weg naar warmte en verlichting. Praten over poëzie, filosofie, de vergankelijkheid van het leven en diepgewortelde verlangens. Kortom, praten over zaken die je de dag erna gewoon helemaal vergeten bent. Een dergelijk gesprek in een werkomgeving met tussenkomst van gehaaste reizigers is een wat lastiger aangelegenheid.

En nu zag ik ‘m dus voor een derde keer. Met z’n fiets staat ie op tien meter van me vandaan. Hij herkent me en loopt mijn richting op, de fiets aan z’n hand. Hij grijnst en is duidelijk voornemens een gesprek met me aan te knopen. Natuurlijk herken ik ‘m ook en ik groet ‘m bescheiden terug. Niet te hartelijk, want dat zou een indirecte uitnodiging zijn voor een gesprek. Niet te afstandelijk, want dat maakt ook een rare indruk. Een man bestelt op dat moment iets bij me en daar gaat m’n grootste aandacht naar uit. Een vrouw kijkt rustig naar het assortiment en wacht geduldig op haar beurt.

De man loopt met z’n fiets tot aan de winkel, zodat z’n voorband tegen de voorgevel van de winkel komt te staan. De vrouw reageert er geërgerd op: “Eh, zeg, niet zo handig dit hè meneer, kunt u even aan de kant gaan? Dan kan ik er ook nog even bij”. De man verontschuldigt zich vriendelijk en rijdt z’n fiets iets naar achteren, zodat ze alsnog de ruimte krijgt. Hij wijst naar mij en roept plagerig: “Ja? Ga je bij hem bestellen?”, en de man slaat een arm om de vrouw heen, die zij resoluut van zich afduwt. Ze keert direct haar rug naar ‘m, hij houdt z’n handen quasi-onschuldig omhoog. “Ik zou het niet doen hoor! Hij is columnist voor BN De Stem, hij schrijft verhalen. Let u dus maar op, misschien schrijft ie dit keer over u! Ja toch? Ik lees ze hoor, in de krant!”, en hij lacht op een nare manier naar me, die ik niet goed kan plaatsen. In zekere zin vriendschappelijk, maar met een voelbare onderlaag. Ik besluit z’n opmerkingen te negeren –klanten gaan altijd voor, ik glimlach gewoon vriendelijk-, aangezien de vrouw dat ook doet en zij is aan de beurt. “Deze graag. En ik moet naar Rotterdam, die vertrekt toch vanaf spoor 8?”, verifieert ze haar reis bij me. Ik bevestig dat, maar de man heeft de vraag ook gehoord. “Daar! Dáár! Aan de voorkant, daar zie je digitale borden! Weet je wat? Ik loop er heel snel heen om te kijken welke trein naar Rotterdam gaat, om het goed te maken. Blijft u hier nog even wachten? Ik kom zo snel mogelijk terug!

perrongeluk

Manieren

Oké, wat wil jij hebben Son?“, vraagt een man die gehaast mijn richting uitloopt aan zijn vrouw. Hij installeert zich bij me, met z’n rug naar me toe, z’n elleboog op de balie. “Ja, doe maar een eh…. Colaatje ofzo en koop ook wat voor Tobias. Wat te eten en iets kleins te drinken“, antwoordt ‘Son’. Tobias leunt wat onzeker tegen de benen van z’n moeder en kijkt me met grote ogen aan.

Dus, Colaatje, wat te eten en drinken voor Tobias en natuurlijk bier voor mij“, somt de man zuchtend en op norse wijze op, “en ik pak wel een kaasbroodje en een Fristi voor ‘m“. Hij draait zich om en bestelt inderdaad exact hetgeen ik al begreep: een colaatje, een kaasbroodje, een Fristi en drie halve liters Heineken. Wederom een norse, afstandelijke toon. De man staart slechts naar de drankkast en kijkt me geen moment aan.

Ik serveer ‘m z’n bestelling en de man houdt een briefje van twintig tussen middelvinger en wijsvinger, terwijl hij met ‘Son’ overlegt wat het plan nu is. Ik neem het briefje van twintig aan en geef ‘m het wisselgeld terug. De man pakt de drie halve liters Heineken en doet deze in een plastic zak. Hij overhandigt ‘Son’ het Colaatje, die zij vrij bot uit zijn handen grist. Vervolgens krijgt Tobias z’n kaasbroodje en Fristi. De man kijkt Tobias streng aan. “Wat zeggen we dan? Ja? Zeg maar? Heel goed, dan zeggen we ‘dank je wel’!” Het jongetje kijkt z’n vader met grote ogen aan en kijkt vervolgens ook mij aan, in lichte paniek. De man kijkt me nors aan. “Die beleefdheden moet je er soms echt in stampen, echt ongelofelijk.”